Voorwoord

De identificatie van de pathologie als zefstandige wetenschap gaat terug tot in het begin van de 16 de eeuw. Door het verrichten van autopsies (Vesalius 1515-1564) legde men toen verbanden tussen klinische verschijnselen en de bij de autopsie gevonden afwijkingen. Virchow (1820-1902) ging in zijn onderzoek de relatie opsporen tussen abnormale functie en morfologie resulterend in de entiteit "cellulaire pathologie", waar de cel dé cruciale rol speelt in het ziekteproces. Technieken zoals biopsiename en punctie lieten toe ziekteprocessen in diverse stadia te bestuderen en inzicht te verschaffen omtrent de natuurlijke evolutie van ziekteprocessen.

Het morfologische (macroscopische en microscopische) onderzoek van cellen en weefsels blijft ook nu nog cruciaal voor de diagnose van ziekten, maar voor moeilijke of complexe problemen wordt gebruik gemaakt van bijkomende technieken op eiwit- of DNA-niveau zoals immuunhistochemie, immuunfluorescentie, FISH (fluorescentie-in situ hybridisatie), CISH (chromogene in situ hybridisatie) en moleculair onderzoek.

Elektronenmicroscopie wordt gebruikt om afwijkingen te kunnen visualiseren bij zéér sterke vergroting.